Op 19 augustus 2025 is een vonnis van de Rechtbank Amsterdam gepubliceerd in een geschil over de levering van een jacht (ECLI:NL:RBAMS:2025:5758).
Gepresenteerde feiten
Begin juli 2023 sluiten een consumentkoper – of een nader aan te wijzen persoon – en jachtmakelaar Lenger Yachts een overeenkomst voor de koop van een jacht, waarbij de makelaar optrad als gevolmachtigde van de verkoper. De koopovereenkomst bepaalt dat de levering uiterlijk 1 maart 2024 plaatsvindt. Ook is overeengekomen dat de koopprijs in vier deelbetalingen wordt voldaan, waarbij de derde deelbetaling geschiedt middels de inruil van het toenmalige jacht van de koper.
Nadat de koper de eerste en tweede deelbetaling aan de makelaar had overgemaakt, vond de inruil van het andere jacht feitelijk plaats. Vanaf dat moment mocht de koper het jacht gebruiken op basis van een gebruiksovereenkomst. De juridische levering van het jacht en het inruiljacht moest evenwel nog plaatsvinden.
In maart 2024 wijst de koper zijn echtgenoot – de eiseres – schriftelijk aan als de uiteindelijke koper van het jacht. De eiseres maakte vervolgens de vierde deelbetaling aan de makelaar over. De levering van het jacht vond evenwel niet plaats, kennelijk omdat er nog een hypotheekrecht op het jacht zou rusten. De eiseres heeft de makelaar uiteindelijk in oktober 2024 gesommeerd het hypotheekrecht te laten doorhalen en het jacht te leveren. Ondanks dat de eiseres en de makelaar nadien uitvoerig hebben gesproken over een plan voor de gelijktijdige levering van het jacht en het inruiljacht, had die levering in april 2025 nog steeds niet plaatsgevonden.
De eiseres vordert in kort geding de makelaar te gebieden de juridische levering van het jacht te effectueren op straffe van een dwangsom van € 100.000,- per dag met een maximum van € 1.500.000,-. De makelaar erkent dat de eigendom in het jacht nog moet worden overgedragen maar stelt daarbij afhankelijk te zijn van derden, waaronder koper zelf die het inruiljacht aan de makelaar moet overdragen. Ook betoogt de makelaar dat onduidelijk is dat de eiseres is aangewezen als uiteindelijk koper van het jacht omdat de koper namelijk (ook) een Maltese entiteit heeft aangewezen als koper en omdat de eiseres de opleverdocumenten waarin deze entiteit is genoemd, heeft goedgekeurd. Ook betwist de makelaar het spoedeisend belang van de eiseres nu zij het jacht reeds feitelijk in bezit heeft.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt allereerst dat de vordering in kort geding alleen toegewezen kan worden als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van de eiseres zal volgen en van de eiseres niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Wat dat laatste betreft overweegt de rechtbank dat de eiseres er voldoende spoedeisend belang bij heeft dat er op korte termijn een einde komt aan de voor haar onzekere situatie over de doorhaling van het hypotheekrecht.
Wat betreft de inhoud van de vordering overweegt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is dat aan de verplichting tot betaling van de koopprijs is voldaan. Dat er ten aanzien van het inruiljacht – die al in het bezit van de makelaar is – nog wat handelingen moeten plaatsvinden voor de juridische levering ervan doet daar niet aan af. Datzelfde geldt voor de vermeende onduidelijkheid over de uiteindelijke koper van het jacht. Daarbij merkt de rechtbank op dat de makelaar, nadat deze had kennisgenomen van de aanwijzing van de eiseres als koper en de toelichting van de eiseres daarbij, van die aanwijzing verder geen punt meer heeft gemaakt tot in het kort geding. Volgens de rechtbank is duidelijk dat de koper de eiseres heeft aangewezen als koper en tevens dat het jacht uiteindelijk eigendom zal worden van de aan de eiseres gelieerde Maltese entiteit. Dat de makelaar na een overdracht van het jacht aan de eiseres claims zou kunnen verwachten van de koper of de Maltese entiteit is op geen enkele manier onderbouwd. Uit het feitencomplex ontstaat het beeld dat de makelaar de juridische levering van het jacht bewust vertraagt, aldus de rechtbank.
De rechtbank wijst dan ook de vordering tot effectuering van de juridische levering van het jacht toe op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 1.000.000,-.
Lessons learned
Deze zaak toont aan dat een kort geding, ondanks dat niet iedere vordering zich ervoor leent, een effectief mechanisme kan zijn. In dit geval heeft het kort geding in enkele weken geleid tot een vonnis. Daarbij levert een dwangsom een extra prikkel tot nakoming op. Op basis van een kort geding vonnis verbeurde dwangsommen worden in beginsel niet aangetast door een andersluidende beslissing van het geschil in een bodemprocedure. Of een dergelijke procedure hier is gestart, is overigens niet bekend. Niet zelden leidt een kort geding vonnis tot een algehele oplossing van het geschil.
Wij hebben veel ervaring met het opstellen en adviseren over contracten voor de bouw en verkoop van jachten en met geschillen met betrekking tot dergelijke contracten. Heeft u vragen over de inhoud van dergelijke contracten of heeft u behoefte aan een analyse van uw geschil, neem dan gerust contact met ons op.