Op 23 april 2025 is een vonnis van de Rechtbank Rotterdam gepubliceerd in een geschil over de vaststelling van hulploon na de bereddering van een motorjacht (ECLI:NL:RBROT:2025:4549).
Gepresenteerde feiten
Op 28 mei 2023 liep een motorjacht door een navigatiefout vast op een zandplaat. Het jacht kon niet zelf vlot komen door de aanhoudend lage waterstand. Nadat de eigenaar van het jacht contact had opgenomen met Rederij Noordgat hebben partijen een hulpverleningsovereenkomst getekend. De rederij heeft in de dagen erna met meerdere sleepboten inspanningen verricht om het jacht los te krijgen van de zandplaat. Dat is uiteindelijk op 1 juni 2023 gelukt, ondanks dat de sleepboten lange tijd niet dicht genoeg bij het jacht konden komen. De rederij heeft het jacht daarna naar een scheepswerf gebracht. Tussen partijen is vervolgens discussie ontstaan over de hoogte van het door de eigenaar aan de rederij te betalen hulploon.
De eigenaar heeft uiteindelijk €15.000,- aan de rederij overgemaakt. De rederij vordert aanvullend betaling van €85.000,-. De eigenaar betwist iets aan de rederij verschuldigd te zijn omdat er geen sprake was van gevaar of dreigend verlies van het jacht, het jacht bij voldoende hoog water zelf zou zijn losgekomen, de rederij slechts is ingeschakeld voor een simpele sleepdienst nadien en dat alle andere inspanningen van de rederij overbodig waren en tegen de wil van de eigenaar, en dat de hulpverleningsovereenkomst vernietigbaar is.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt dat van hulpverlening in de zin van artikel 8:551 BW sprake is bij iedere werkzaamheid die is verricht om hulp te verlenen aan een in het water in gevaar verkerend schip. Gevaar is aanwezig als een reële dreiging van schade bestaat en het schip zich zonder externe hulp niet uit de gevaarlijke situatie kan redden. Het bestaan van gevaar moet worden beoordeeld op het moment dat de hulpverlening begon.
De rechtbank meent dat sprake was van een gevaarsituatie. Daarbij is niet relevant of er een kans was dat het jacht uit eigen kracht zou loskomen maar of er sprake was van een reëel risico op verdere schade. Dat was hier volgens de rechtbank het geval. Het jacht was immers in een voor de eigenaar onbekend gebied gestrand waar sprake was van aanhoudend laagwater. Zou het jacht al uit zichzelf zijn losgekomen dan bestond er een niet te verwaarlozen risico op een tweede stranding en daarmee op verdere schade aan het jacht.
De rechtbank overweegt ook dat de vraag of de hulpverleningsovereenkomst vernietigbaar is, in het midden kan blijven omdat de rederij haar aanspraak op hulploon heeft gegrond op de wet, namelijk artikel 8:551 BW. Dat de eigenaar niet bekend was met de prijsconsequenties doet er niet aan af dat wettelijk gezien hulploon betaalbaar is. Ook hebben de eigenaar noch haar verzekeraar geprotesteerd tegen de hulpverlening ondanks dat beiden van de werkzaamheden op de hoogte waren.
Wat betreft de omvang van het hulploon overweegt de rechtbank dat deze moet worden vastgesteld rekening houdend met de criteria in artikel 8:563 BW, kortgezegd: (i) de geredde waarde van het jacht, (ii) de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, (iii) de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag, (iv) de aard en ernst van het gevaar, (v) de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen, (vi) het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners gelopen risico’s, (vii) de snelheid van de verleende diensten, (viii) de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere uitrusting en (ix) de staat van gereedheid en de doelmatigheid en de waarde van die uitrusting.
Bij het toetsen van deze criteria overweegt de rechtbank dat de geredde waarde tenminste €500.000,- beliep en dat er met licht overmatige bemanning en niet altijd efficiënte inzet van materieel – maar steeds in overleg – bij de eerste echte gelegenheid succes is geboekt door het jacht te bevrijden uit een enigermate gevaarlijke maar niet acuut gevaarlijke situatie, waaruit het zichzelf niet zonder hulp kon redden. Na aftrek van het al door de eigenaar betaalde bedrag wijst de rechtbank de vordering van de rederij toe tot een bedrag van €25.000,-.
Lessons learned
Deze zaak toont aan dat het vaststellen van de hoogte van het hulploon na de bereddering van een motorjacht van diverse omstandigheden afhangt. Het staat partijen vrij over de hoogte van het hulploon afspraken te maken, bij gebreke waarvan de wettelijke regeling van artikel 8:563 BW geldt. Gemaakte afspraken kunnen echter door de rechter wel geheel of gedeeltelijk worden vernietigd of gewijzigd als deze tot stand zijn gekomen door misbruik van omstandigheden of onder invloed van gevaar en de overeengekomen voorwaarden onbillijk zijn, of de overeengekomen betaling buitensporig hoog of laag is in verhouding tot de daadwerkelijk verleende diensten.
Wij kunnen u helpen bij het opstellen van hulpverleningscontracten ter zake jachten, en het procederen over hulploon namens jachteigenaren en rederijen. Heeft u vragen over de inhoud van dergelijke contracten, neem dan gerust contact met ons op.